Grote mensen zijn langzaam.
Wij haasten ons overdag
om daarna verder te dromen,
zij volgen ons niet op die baan.
Planten groeien omhoog
in het zonlicht of staan
stil in de gang. Het glas
van de ruit is koud op je neus.
Daarachter lopen de reuzen
en rijden de grijze trams.
Lang geleden, voordat je sliep mocht je
mee met de tram, muts op je hoofd.
Trots keek je toen in het rond.
Nu rijdt de tram aan de overkant.
De schaduw is langer dan ooit.
Je tracht het haar te vertellen.
Zij lacht. Jij mist het woord.