Een tram kwam aangereden,
al eerder op zijn tocht
door passagiers betreden.
Hij reed met geweld door de bocht.
Boven het straatrumoer klonk bellen,
de voetgangers gleden opzij;
geen rail leek het voertuig te knellen.
De tram was van zwaartekracht vrij.
Lijnnummer en kleuren oplichtend,
daaronder met vaste blik
de bestuurder, zich richtend
op het eindpunt van zijn rit.
Op mijn buik op de commode
riep ik met kraaiende stem
terwijl ik het wonder doorgrondde
Kijk mam- een dubbelgeleden tram!