Twee keer de kade. De eerste
keer zweeg het groen. Glad
onder de fijn gerilde lucht, de eerste keer
het groen glad cirkelend onder
de meeuwen die in vlucht opeengehoopt
boven het water
draaiden.
De visman in zijn glazen stal kneedde
vis? Naast hem een vrouw.
Eilanden zond ik boodschappen
in een wijnfles
die middag,
de Wachter beklom zijn trap
sloeg achteloos de einden van zijn das
uiteen en op mijn netvlies, keek
niet naar buiten door de zaterdagvitrage, de tweede
keer zonder nadenken, op de fiets. De gracht
vergeten: meer oevers dan
zwart water wanneer het
avond in de stad
is.